Publicatiedatum
14.12.2020

Een conventionele insulinepomp: van A tot Z uitgelegd

Er zijn twee soorten insulinepompsystemen: patchpomp en conventionele pomp. Hier gaan we dieper in op de conventionele insulinepomp. Deze insulinepomp geeft via een infusieslang insuline af. Een infusieslang verbindt de pomp met de naald in de buik. Het pompje draag je makkelijk aan de broekriem of in een broekzak. Bij deze conventionele pompen zijn er verschillende opties.

Naast een conventionele pomp zijn er ook patchpompen. Een patchpomp is een pomp die je op je huid plaatst. Deze pomp heeft geen infusieslang. Een patchpomp kan het gevoel van meer vrijheid geven omdat er geen infusieslang aan verbonden zit. Welke pomp de beste keuze voor jou is, hangt af van verschillende factoren, zoals hoeveel eenheden insuline je per dag gebruikt. Samen met je behandelaar maak je de juiste keuze.

Lees meer

De verschillen tussen conventionele insulinepompen

De ene conventionele insulinepomp is de andere niet. Met verschillende opties kies jij wat het beste bij jou past. Wij helpen je op weg.

De naald

Verschillende infusiesetjes hebben andere specificaties. We zetten ze op een rij:

  • De infusieset met een kunststof naaldje is flexibel en is eenvoudig om in te brengen.
  • Een infusieset met een stalen naald is eenvoudig in te brengen. Omdat deze van staal is kan deze niet knikken. Dat veroorzaakt minder verstoppingen en zo voorkom je dat insuline niet afgegeven kan worden.

Welke het meest geschikt voor jou is, kun je het beste bespreken met je behandelaar.

De slang

Ook de lengte van de infusieslang tussen je buik en de pomp verschilt. De infusieslangen zijn er tussen de 40 tot 110 cm. De lengte van de infusieslang ligt aan de plek waar je je insulinepomp draagt. Zit die in je broekzak, dan heb je minder lengte nodig dan bijvoorbeeld in een borstzak. Ongeveer iedere drie dagen verwissel je de infusieset, dus ook de slang.

Het vullen

Bij sommige insulinepompen moet je zelf steeds het reservoir vullen. Dat is niet heel moeilijk, maar moet wel zorgvuldig gebeuren. De insuline moet op kamertemperatuur zijn voordat je kan vullen. En er mogen bijvoorbeeld geen luchtbellen in het reservoir komen. Waarom? Omdat er dan geen insuline wordt toegediend.

Er zijn  ook insulinepompen met voorgevulde patronen. Daarmee loop je geen risico op luchtbellen in de vulling.

Real Time Continue Glucose Monitoring

Met Real Time Continue Glucose Monitoring (RT-CGM) wordt de glucosewaarde 24 uur per dag iedere vijf minuten gemeten. Deze metingen kunnen gekoppeld worden aan sommige conventionele insulinepompen. Op die manier kan de toediening tijdelijk worden aangepast of zelfs stopgezet op basis van de meting van RT-CGM. Zo kun je een hypo voorkomen.

Hoe weet je welke conventionele insulinepomp geschikt is voor jou?